De alchemist

Dit gedicht is verschenen in Giftige Simmer/Giftige zomer, een protestbundel
tegen de afvaloven in Harlingen, waar 19 kunstenaars aan meewerkten.

Ik hoor het oostenwindverkeer.
De zonnecellampen pinkelen bleek.
Blauw. Zal ik verbouwen? Vergroten? Meer?

Kikkers als castagnetten klepperen door de nacht,
de koelkast gorgelt mistroostig zijn paddenklacht.
Lastig om samen gelukkig te zijn.

Ik weet geen andere woorden:
mijn huis, mijn leven en het vuur,
altijd van binnen naar buiten.

Tot de wind
westwaarts krimpt
en mijn huis,
verzoutzakt,
met giftig waas
omringt.

Als een minnaar
die uit nijd
geniepig,
geen moment respijt,
huid en haar
doordringt.

Liever nog de horzel, die zich weg laat slaan.
De wondroosrode muggenbult. Dat gaat over. Zelfs

in fluorescerend gras, gloed van zware metalen,
's nachts het schmieren van kwikgesmeerde nachtegalen.

Maar een zee vol wieren, algen,
lastdieren die vergaan,
schimschuimende vloedlijn
van geslachten in verval

en wij, de eigen gloed voorbij,
kruipend waar we niet gaan,
zullen met een grijns van schuld
elkaar de wangen slaan.

Omdat niet wilde dagen dat
de plakkende Harlinger dood
in benarrende ademnood
geen goud zal maken van lood.


Valid XHTML 1.0 Strict